Paring
De paring vindt in het water plaats, meestal kort nadat het vrouwtje haar pup van het vorige seizoen heeft verlaten. Bij de gewone zeehond spelen mannetjes "onderwaterterritoria" rond goede ligplaatsen: ze zingen en grommen onder water om vrouwtjes aan te trekken en concurrenten weg te jagen. Bij de grijze zeehond gaat het er ruwer aan toe. De soort is sterk polygyn: een dominant mannetje verdedigt een groep vrouwtjes op de kraamkamer en probeert zoveel mogelijk paringen te realiseren. Vechten tussen mannetjes loopt regelmatig op tot serieuze wonden — de littekens op oudere bullen zijn vaak goed te zien.
Mannetjes worden meestal pas effectief geslachtsrijp wanneer ze groot genoeg zijn om concurrenten te verslaan. Fysiek kunnen ze rond hun vierde of vijfde jaar, maar deelnemen aan de paring lukt vaak pas vanaf jaar zes tot acht.
Uitgestelde innesteling
Zeehonden hebben een trucje dat ze delen met onder meer beren, dassen en zeeleeuwen: uitgestelde innesteling. Na de paring vormt zich wel een bevrucht eitje, maar dat blijft ongeveer drie maanden als blastocyst zweven in de baarmoeder zonder zich vast te zetten. Pas daarna nestelt het in en begint de echte dracht. Optelling: ongeveer drie maanden pauze plus ongeveer 8,5 maand actieve dracht maakt een schijnbare draagtijd van circa 11,5 maand. Daardoor kan paren én werpen telkens in hetzelfde gunstige seizoen vallen, jaar na jaar.
De zeehondenmoeder houdt drie maanden lang een toekomst op pauze — daarna start de klok pas écht.
Geboorte: gewone zeehond
De gewone zeehond werpt zijn pup in de Nederlandse zomer, meestal tussen half juni en eind juli. De geboorte gebeurt op een droogvallende zandplaat in de Waddenzee of de Delta, vlak bij het water. Er wordt vrijwel altijd één pup geboren — tweelingen zijn extreem zeldzaam. Het jong weegt rond de tien kilo en heeft al de adulte korte vacht; de witte lanugovacht is bij gewone zeehonden vóór de geboorte verharend en blijft in de baarmoeder achter.
Door dat kortere haarkleed kan een pup gewone zeehond binnen enkele uren mee het water in. Bij hoog water, dat de zandplaat overstroomt, móet hij dat ook wel. Moeder en pup blijven elkaar onder water vinden met geur en geluid; bij iedere terugkomst op de plaat wordt opnieuw geverifieerd of het de eigen pup is.
Geboorte: grijze zeehond
De grijze zeehond is precies tegengesteld in timing en strategie. Pups verschijnen midden in de Nederlandse winter, tussen november en januari. Ze worden geboren in een witte donsvacht — de lanugo — die níet waterdicht is en die voor extreem lichte koudewerking zorgt zolang de pup droog blijft. Daarom blijft een grijze zeehondpup ongeveer drie weken op het droge, op zandplaten of strandjes waar hoog water hem (idealiter) niet bereikt. De Richel bij Vlieland is de bekendste Nederlandse kraamkamer; ook op andere onbewoonde platen wordt geworpen.
Een grijze-zeehondpup weegt bij de geboorte rond de veertien kilo en triplet die ruim in drie weken — niet uitzonderlijk om in die periode rond de 45 kilo te halen. Daarna is de lanugo gewisseld voor de eerste echte vacht en kan het dier het water in.
Zoogperiode
De zoogperiode is kort, intensief en uniek in het zoogdierenrijk vanwege het vetgehalte van de melk.
- Duur (gewone zeehond)~3–4 weken
- Duur (grijze zeehond)~3 weken
- Vetgehalte van de melk~50%
- Gewichtsverlies moeder~25% van haar lichaamsgewicht
- Gewichtstoename pupVerdrievoudiging
Tot ongeveer de helft van die melk bestaat uit vet. Ter vergelijking: koemelk bevat ongeveer vier procent vet. De moeder vast tijdens het zogen grotendeels (grijze) of eet zeer beperkt (gewone). Direct na het zogen verlaat ze de pup om weer te jagen en, kort daarop, opnieuw te paren. Meer over haar jaarcyclus op levenscyclus; haar energievraag op voeding.
Verlating
Wat in de ogen van de mens hardvochtig oogt, is in de zeehondenwereld het normale schema: de moeder verlaat haar pup definitief op het einde van de zoogperiode. De pup moet daarna zelf leren jagen — zonder lessen. Eerst teert hij op de aangelegde vetlaag, vervolgens experimenteert hij met kleine prooi (zandspiering, grondels, garnaal). Veel jonge dieren verliezen in deze fase tijdelijk gewicht en raken uitgeput; sommigen spoelen aan als huiler. Niet elke pup op het strand is echter een hulpgeval — vaak rust een gezonde jonge zeehond gewoon uit. De vuistregels staan op die pagina.
Sterftekans pup
De eerste levensjaren zijn ruw. In Nederlands en Brits-Schots onderzoek komen consistent percentages naar voren in de orde van 30 tot 50% sterfte in het eerste jaar. De oorzaken zijn cumulatief: onvoldoende vetreserve aan het einde van de zoogperiode, een storm die jonge pups van de plaat spoelt, verstoring waardoor moeder en pup elkaar verliezen, bijvangst in netten, en eenvoudig het onvermogen om snel genoeg te leren jagen.
Geslachtsrijpheid
| Aspect | Gewone zeehond | Grijze zeehond |
|---|---|---|
| Geslachtsrijp vrouwtje | 3–5 jaar | 4–6 jaar |
| Geslachtsrijp mannetje | 5–6 jaar (paren vaak later) | 6–8 jaar (paren vaak later) |
| Pupseizoen | Juni–juli | November–januari |
| Paringssysteem | Polygyn, "onderwatersong" | Polygyn, harem op droge |
| Aantal jongen per worp | 1 | 1 |
Een vrouwtje krijgt vanaf haar eerste worp in principe één pup per jaar, decennialang door. Bij goede gezondheid kunnen vrouwtjes meer dan twintig pups in hun leven groot brengen. Hoe ze daar via verharing, dracht en jacht doorheen rolt, staat op levenscyclus; meer over de strategie van het grote, polygyne mannetje op grijze zeehond.