Wat eet een Nederlandse zeehond?
Een volwassen zeehond aan de Nederlandse kust eet gemiddeld drie tot zeven kilo vis per dag. Hoeveel precies hangt af van de soort, het seizoen en het lichaamsgewicht — een drachtig vrouwtje of een verharend dier eet anders dan een jong subadult dat zijn eerste vetreserve opbouwt. Op jaarbasis komt het neer op grofweg een tot anderhalve ton vis per zeehond.
Het menu is breed maar voorspelbaar. Onderzoek aan ontlasting en maaginhoud van Nederlandse en Waddenzee-zeehonden laat steeds dezelfde groepen zien.
- PlatvisSchol, bot, schar, tong
- KabeljauwachtigenWijting, kabeljauw, steenbolk
- Pelagische visHaring, sprot
- Zandige bodemvisZandspiering, smelt
- SchaaldierenGarnaal (vooral bij jonge dieren)
De jonge dieren — pups in hun eerste maanden zelfstandig — beginnen vaak met kleinere prooi: zandspiering, grondels en garnalen. Naarmate ze groter worden, schakelen ze door naar grotere platvis en kabeljauwachtigen.
Verschil tussen gewone en grijze zeehond
Op het menu staan grotendeels dezelfde soorten, maar het formaat verschilt. De grijze zeehond is groter en eet daarom ook grotere prooi. Bij Britse en Nederlandse grijze zeehonden zijn af en toe restanten van bruinvis en zelfs zeevogels in de maag of ontlasting gevonden. Bij gewone zeehonden is dat zeldzaam tot afwezig; die houden het bij vis.
| Aspect | Gewone zeehond | Grijze zeehond |
|---|---|---|
| Gemiddelde dagrantsoen | 3–5 kg | 5–7 kg |
| Hoofddieet | Platvis, zandspiering, haring | Grotere platvis, kabeljauwachtigen |
| Uitschieters | Garnaal (jonge dieren) | Soms zeevogels, zeldzaam bruinvis |
| Jachtgebied | Vooral binnen 50 km kust | Tot ver buiten de kust |
Hoe jagen ze?
Zeehonden jagen alleen, niet in een groep zoals dolfijnen of orka's. Er is geen coördinatie, geen "opdrijven" van scholen. Wat je op zandplaten ziet als sociaal gedrag — naast elkaar liggen, op dezelfde plek terugkeren — geldt niet onder water. Daar is iedere zeehond een individuele jager.
De jacht draait om het detecteren van prooi in water waarin je vaak nauwelijks twee meter ver kijkt. Een vis die voor de zeehond uitvlucht, laat een onzichtbaar spoor van wervels en drukverschillen achter — een hydrodynamische "voetafdruk" die seconden, soms minuten blijft hangen. De snorharen (vibrissae) op de snuit pikken dat spoor op. In Duitse en Nederlandse experimenten met geblinddoekte zeehonden bleek dat dieren een vissimulator nog tientallen seconden ná de passage konden volgen, alleen op vibrissaesignaal. Meer over die anatomische trucs op anatomie.
In troebel water is het oog bijna nutteloos — de zeehond ziet zijn vis niet, hij voelt waar die net is geweest.
Duikgedrag
De meeste maaltijden worden tussen tien en veertig meter diep gevangen. Gemiddeld duikt een Nederlandse zeehond ongeveer 25 meter diep en blijft enkele minuten beneden. Bij grotere vissen of in dieper water gaan duiken tot ongeveer 100 meter en uitschieters van twintig minuten voor. Voor elke duik gebeurt fysiologisch het volgende:
- De neusgaten sluiten actief — ze staan in rust dicht en gaan alleen open om in te ademen.
- De oorgaten sluiten zich onder druk.
- De longen worden vóór de duik leeggeperst; zuurstof wordt opgeslagen in bloed en spierweefsel (myoglobine).
- De hartslag daalt van ongeveer 120 slagen per minuut aan de oppervlakte tot onder de 10 in de diepte — de "duikreflex". Bloed wordt grotendeels weggehaald uit ledematen en huid, en bewaard voor hart en hersenen.
Door die fysiologie kan een zeehond meermaals achter elkaar duiken zonder uitgeblust te raken. Een typisch jachtprogramma is een serie van tien tot vijftien duiken, afgewisseld met korte adempauzes aan de oppervlakte.
Energiebehoefte door het jaar
De energiebehoefte is niet constant. Het verandert met de cyclus van verharen, dracht en zogen.
- Voorjaar (paartijd)Mannetjes eten minder, verdedigen territorium
- Zomer (zogen gewone)Vrouwtjes vasten of eten weinig
- Najaar (verharen)Veel rust op de plaat, lagere inname
- Winter (zogen grijze)Grijze vrouwtjes vasten ~3 weken
- Late winter (herstel)Intensief jagen om reserves aan te vullen
Tijdens de zoogperiode geeft een zeehondmoeder een opvallend vette melk: tot ongeveer 50% vet. De pup verdubbelt daarop binnen drie tot vier weken in gewicht. Voor de moeder kost dat een kwart van haar lichaamsgewicht. Direct ná het zogen begint daarom een intensieve jachtperiode om reserves aan te vullen — meer hierover op voortplanting.
Voedselconcurrentie met visserij
Op het Nederlandse deel van de Noordzee en in de Waddenzee delen mens en zeehond hetzelfde voedsel. Schol, tong, kabeljauw en haring zijn voor de visserij economisch belangrijk én voor de zeehond hoofdvoedsel. Studies wijzen uit dat de directe overlap meestal kleiner is dan gedacht — zeehonden vangen vooral kleinere maatklassen dan de visserij — maar in lokale situaties is er reële concurrentie. Daarnaast komen jonge zeehonden om als bijvangst in vooral kieuwnetten. Op bedreigingen staan de cijfers en wat er gedaan wordt om die bijvangst te beperken.
De terugkeer van de grijze zeehond (zie soorten) heeft het beeld bovendien veranderd: een dier van 200 kilo eet meer vis dan een gewone zeehond van 90 kilo. Met de groei van die populatie groeit ook de zichtbaarheid van de discussie — niet altijd op basis van de meest recente onderzoeksdata.
Hoe zien ze prooi in troebel water?
Het antwoord is dat ze hem grotendeels níet zien. Visuele jacht werkt vooral op heldere dagen of in helder kustwater. In de Waddenzee, waar de troebelheid door slibtransport vaak hoog is, en in winterse dagen zonder licht, doen de vibrissae het werk. De zeehond zwemt in lussen door een gebied, de snuit licht naar voren, totdat een spoor wordt opgepikt. Dan volgt hij dat spoor — niet de vis, maar de wervels die de vis heeft achtergelaten — en sluit zijn aanval in de laatste decimeters af op een combinatie van zicht en vibratie. Het hele lichaam is op dit type jacht gebouwd, van de stroomlijnvorm tot de speklaag die hem in koud water laat doorzwemmen. Hoe dat hele lijf in elkaar zit staat op anatomie; hoe dat in het dagelijkse gedrag doorwerkt op de zandplaat, vind je daar.