De Delta: Oosterschelde + Westerschelde
Wat we in Nederland "de Delta" noemen is in feite een verzameling water- en kustsystemen in het zuidwesten: het Haringvliet, het Hollandsch Diep, het Grevelingenmeer, het Veerse Meer, de Oosterschelde en de Westerschelde. Voor zeehonden zijn vooral de laatste twee belangrijk. Beide zijn nog open verbonden met de Noordzee — direct in het geval van de Westerschelde, semi-doorlatend in het geval van de Oosterschelde sinds de Stormvloedkering.
De Oosterschelde is met ongeveer 350 km² water en circa 110 km² bij laagwater droogvallend areaal het grootste van de twee bekkens. De Westerschelde is iets kleiner in oppervlakte maar veel langer (van Vlissingen tot Antwerpen) en heeft een sterkere stroming. Beide gebieden zijn Natura 2000 en deel van de internationale Vogel- en Habitatrichtlijn.
Hoe de Deltawerken het leefgebied veranderden
Na de Watersnoodramp van 1953 begon Nederland met de Deltawerken: een reeks dammen en stormvloedkeringen die het zuidwesten van het land moesten beschermen tegen herhaling. Voor zeehonden waren twee bouwwerken bepalend:
- De Oosterscheldekering (1986). In plaats van een volledige dam koos Nederland voor een keerwerk dat alleen sluit bij verwachte stormvloed. Daardoor bleef de Oosterschelde een zout, getijde-doorlaten gebied — anders dan veel andere Delta-bekkens die volledig werden afgesloten.
- De Westerscheldemonding bleef open in dienst van de scheepvaart richting Antwerpen.
Het gevolg is dat intertidale zones — het stuk wat tussen hoog- en laagwater droog komt — in beide bekkens behouden zijn. Voor zeehonden is dat cruciaal. Zonder droogvallende platen geen rust, geen verharing, geen gezonde populatie.
Er is ook een keerzijde: door de kering wordt minder zand vanuit de Noordzee naar de Oosterschelde getransporteerd. De diepe geulen en de zandplaten erodéren langzaam — een proces dat "zandhonger" wordt genoemd. Zonder ingrijpen verdwijnen droogvallende platen op termijn. Het project op de Roggenplaat in 2019 — waarbij 1,3 miljoen m³ zand werd aangebracht — was hier een direct antwoord op.
Oosterschelde als beschermd zout binnenwater
Door de Stormvloedkering is de Oosterschelde in normale omstandigheden van de zware Noordzeedeining afgeschermd, terwijl het tij gewoon doortrekt — bij laagwater valt circa een derde van het gebied droog. Voor zeehonden levert dat een unieke combinatie: een rustig, zout, getijde-gebied dat zowel rust als voedsel biedt.
De bekendste ligplaatsen liggen in het westelijke en centrale deel: de Roggenplaat, de Vondelingsplaat en de slikken rond Vondelingsplaat, en de platen langs de Krabbenkreek bij Sint-Annaland. Bij goede omstandigheden worden hier bij laagwater honderden zeehonden tegelijk geteld.
Westerschelde als estuarium met sterke stroming
De Westerschelde is een echt estuarium: een trechtervormige rivierdelta waar zoet water uit de Schelde en zout water uit de Noordzee elkaar ontmoeten. De stroming is sterk, het water troebel, en de zoutgradiënt verandert van west (zout) naar oost (brak). Voor zeehonden is dit een lastiger, dynamischer gebied dan de Oosterschelde, maar het herbergt wel degelijk een groeiende populatie gewone zeehonden — vooral op de slikken bij Saeftinghe, Hoofdplaat en in de monding bij Vlissingen.
Het Westerschelde-estuarium is daarnaast belangrijk als kraamkamer voor vis. Jonge schol, bot, tong en zandspiering groeien er op in de relatief warme, voedselrijke wateren — direct voedsel voor de zeehonden ter plekke.
Populatiegroei sinds de jaren ’90
Vóór de Deltawerken was de Delta een sterk gewijzigd kustsysteem, waar de zeehondenpopulatie nooit zo groot was geweest als op de Wadden — en daarna lange tijd uiterst klein. In de eerste jaren na 1986 leek de Oosterschelde wat zeehondenherstel betreft "wegglijden": de open verbinding met de Noordzee was minder, het gebied was nieuw voor de soort, en aantallen bleven beperkt.
Vanaf de jaren ’90 — en in versterkte mate na 2000 — groeide het aantal echter sterk. Twee redenen worden meestal genoemd:
- De jachtstop en bescherming via Natura 2000.
- De spontane vestiging vanuit de Belgische en Vlaamse kust, het Voordelta-gebied en — voor de grijze zeehond — vanuit het Verenigd Koninkrijk.
De gewone zeehond is in de Oosterschelde inmiddels een vaste verschijning met enkele honderden dieren bij telmomenten. De grijze zeehond is later gevolgd en heeft sinds de jaren 2010 ook in de Delta een vaste plek. Tellingen worden in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd.
Verschillen met de Waddenzee
Voor wie beide gebieden kent, zijn de verschillen direct merkbaar:
- Kleiner. De Delta is in zijn geheel ongeveer een tiende van de Waddenzee. Minder dieren, maar kortere afstanden tussen u en de natuur.
- Andere visstand. De Westerschelde heeft een eigen, estuariene visgemeenschap; de Oosterschelde lijkt meer op een zout binnenmeer met overwegend Noordzeesoorten.
- Beter bereikbaar. Vlissingen, Goes en Zierikzee zijn met OV en auto direct te bereiken; voor de Wadden moet eerst de boot.
- Mildere wind. Geen open Noordzeevlakte voor het gebied; de wind bouwt minder massief op.
- Andere demografie. De Delta-populatie is jonger als gebied dan de Wadden-populatie en groeit op dit moment relatief sneller.
Voorbeelden van vaste ligplaatsen
Een paar van de ligplaatsen die jaarrond door zeehonden worden gebruikt:
- Roggenplaat (centraal in de Oosterschelde) — de belangrijkste ligplaats van de Delta, opgehoogd in 2019.
- Vondelingsplaat — grote zandplaat ten zuiden van Schouwen-Duiveland, regelmatig gebruikt.
- Slikken bij Sint-Annaland en Stavenisse — kleinere ligplaatsen aan de noordkant van de Oosterschelde.
- Slikken bij Saeftinghe — Westerschelde, op de grens met België.
- Platen bij Hoofdplaat en de slikken nabij Breskens — Zeeuws-Vlaamse zijde van de Westerschelde.
Voor concrete spotplekken vanaf de wal: zie de regiogids spotten in Zeeland. Voor de complete kaart met filters: de spotkaart. En om uw bezoek goed te plannen: lees vooraf over getijden.